Een digitaal oppervlaktemodel (DSM) is een digitale voorstelling van het aardoppervlak inclusief alle zichtbare objecten die daarboven uitsteken. In tegenstelling tot een digitaal terreinmodel (DTM), dat uitsluitend het maaiveld weergeeft, bevat een DSM ook gebouwen, bomen, constructies en andere structuren.
Dat maakt een DSM bijzonder geschikt voor analyses waarbij de hoogte van objecten relevant is, zoals dakstudies, schaduwberekeningen, boomhoogteanalyses en stedenbouwkundige modellen.
Waarvoor wordt een DSM gebruikt?
Een digitaal oppervlaktemodel wordt onder meer gebruikt voor:
- dakstudies en zonnepaneelanalyses
- schaduw- en zichtlijnanalyses
- boomhoogte- en vegetatiekartering
- stedenbouwkundige en ruimtelijke analyses
- windstudies
- controle van bestaande constructies
- voortgangsopvolging op werven
Wat is het verschil tussen een DSM en een DTM?
Het onderscheid zit in wat het model weergeeft. Een DTM stelt uitsluitend het maaiveld voor: de hoogte van de grond zelf, zonder enige bebouwing of begroeiing. Een DSM bevat alles wat zichtbaar aanwezig is, inclusief gebouwen, bomen, constructies en tijdelijke objecten.
Beide modellen worden afgeleid uit dezelfde basisdata, zoals een dronepuntenwolk. Het verschil zit in de verwerkingsstap: bij een DTM worden objecten boven het maaiveld gefilterd; bij een DSM blijven ze bewaard.
Voor terreinanalyses en volumeberekeningen van grondverzet is een DTM doorgaans het juiste instrument. Voor hoogte-analyses van bebouwing of vegetatie biedt een DSM de nodige informatie.
Hoe wordt een DSM gemaakt?
Een digitaal oppervlaktemodel wordt opgebouwd uit dezelfde meetdata als een DTM: dronefotogrammetrie, LiDAR-scanning, GNSS-metingen of een combinatie van technieken.
Het verschil met een DTM zit in de verwerking. Bij een DSM worden objecten boven het maaiveld niet gefilterd. De volledige puntenwolk, inclusief reflecties op gebouwen, bomen en constructies, vormt de basis voor het model.
Bij dronefotogrammetrie wordt het DSM automatisch gegenereerd uit de overlappende beelden. De kwaliteit hangt af van de vluchthoogte, de beeldoverlapping en de georeferentie.
Beperkingen van een DSM
Een DSM toont wat de sensor vanuit de lucht ziet. Zones die niet zichtbaar zijn, zoals de onderkant van een dakrand, ingangen onder een luifel of overdekte ruimtes, worden niet geregistreerd.
Bij dichte bebouwing kunnen gebouwen op het model visueel samenvloeien als ze dicht bij elkaar staan. En net zoals bij een DTM geldt: dichte begroeiing belemmert de zichtbaarheid van de eronder liggende structuren.
Voor gedetailleerde dakopnames of gevelinspecties is een specifiekere drone-inspectievlucht of een 3D-scan doorgaans beter geschikt dan een topografisch DSM.
Conclusie
Een digitaal oppervlaktemodel brengt de volledige hoogte-informatie van een omgeving in kaart, inclusief bebouwing en begroeiing. Het vormt een waardevolle basis voor hoogte-analyses, stedenbouwkundige toepassingen en vegetatiekartering. Samen met een DTM geeft het een volledig beeld van zowel het terrein als wat erop staat.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een DSM en een DTM?+
Een DTM bevat uitsluitend de hoogte van het maaiveld. Een DSM bevat alles wat zichtbaar boven het terrein aanwezig is, zoals gebouwen, bomen en constructies. Voor grondverzetberekeningen gebruikt u een DTM; voor hoogte-analyses van bebouwing of vegetatie een DSM.
Kan ik met een DSM de hoogte van gebouwen bepalen?+
Ja. Door het DSM te vergelijken met het bijhorende DTM kan de hoogte van elk object berekend worden. Het verschil tussen beide modellen geeft de hoogte van objecten boven het maaiveld weer.
Wanneer heb ik een DSM en wanneer een DTM nodig?+
Dat hangt af van de toepassing. Voor grondverzet, waterafvoer of terreinanalyses heeft u een DTM nodig. Voor dakstudies, schaduwberekeningen of vegetatiekartering is een DSM het juiste instrument. Beide worden afgeleid uit dezelfde opname; het is een verwerkingskeuze.